Al-Ala
Klassieke muziek met scholen in Fez en Tetouan, geordend in elf suites (nuba’s), waarvan al-Haïk uit Tetouan eind 18e eeuw de gedichten, modi en ritmes optekende. Dat ze in al-Andalus is ontstaan, geldt als waarschijnlijk, maar is nauwelijks bewezen.
Wat het is
Al-ala, ook tarab al-ala, is de meest verbreide vorm van Andalusische muziek in Marokko. Het Arabische woord âla betekent werktuig, preciezer muziekinstrument: het onderscheidt de wereldlijke, met instrumenten gespeelde muziek van de religieuze samâ, waarbij alleen wordt gezongen, vaak op dezelfde melodieën en ritmes. Volgens sommige bronnen duikt het woord voor het eerst op in de 16e eeuw, in de kroniek Nuzhat al-hâdî van de historicus al-Ifrânî uit de tijd van de Saadiërs, en de uitdrukking tarab al-âla staat in de titel van de verzameling van al-Haïk. Daarnaast bestaat in Marokko de gharnati.
Het repertoire bestaat tegenwoordig uit elf nuba’s, grote suites van instrumentale en vocale stukken. Elke nuba berust op een modus (tab’), die haar de naam geeft, en is verdeeld in vijf delen, de mizan, elk met een eigen grondritme; het hele repertoire telt daarmee 55 mizan. De mizan heten basit, qaim wa-nisf, btayhi, darj en quddam en volgen een geleidelijke versnelling.
Waar het vandaan komt
Al-ala is thuis in de historische steden van het noorden, vooral in Fez, de oude hoofdstad, en in Tetouan, daarnaast in Meknes en Tanger; naar aantal musici, omvang van het repertoire en aanzien is ze de belangrijkste muziektraditie van Marokko. Men spreekt van de school van Fez, de school van Tetouan en de school van Rabat, genoemd naar grote meesters als al-Brîhî, Ahmed Loukili en Mohamed Larbi Temsamani, wier orkesten hun naam voortdragen; een lesblad van Akadem noemt daarnaast Oujda. In Oujda, Rabat en Salé is sinds de jaren 1920 ook de gharnati verbreid, een eigen variant van de Andalusische muziek. In de al-ala staat het instrument centraal, de gharnati daarentegen plaatst de zang op de voorgrond en kent 16 nuba’s, waarvan vier onvolledig.
Geschiedenis
Dat de muziek in al-Andalus uit Arabische en Amazigh-bijdragen is ontstaan, geldt als waarschijnlijk; noten of beschrijvingen uit die eeuwen bestaan niet. De musicus en onderzoeker Omar Métioui beschrijft haar als een mengeling van Arabische muziek uit het Oosten, Afro-Amazigh-muziek uit de Maghreb en de muziek van het Iberisch Schiereiland van vóór 711; na de verdrijving van de Morisken in 1609 bleef de Maghreb haar enige drager. Aan Ziryab, die in 857 in Córdoba stierf, worden veel vernieuwingen toegeschreven, waaronder de nuba zelf; de kunsthistoricus Mohamed Métalsi noemt dat legenden.
Volgens een wijdverbreide overlevering waren er ooit 24 nuba’s, waarvan er in Marokko elf overbleven. De muziekwetenschapper Yassir Bousselam acht dat, met de musicoloog Mahmoud Guettat, historisch niet bewezen: bij de oudste auteurs is nooit sprake van 24 nuba’s. Sultan Mohammed III (reg. 1757–1790) gaf Muhammad al-Haïk (1720–1799) uit Tetouan de opdracht de gezongen gedichten te verzamelen, de Kunnâsh, die in 1780 voltooid was; de verzameling legt gedichten, modus en ritme vast, maar niet de melodie, en is tot op heden het naslagwerk van de musici.
In de 20e eeuw ontstonden de eerste geluidsopnamen: grammofoonplaten van Pathé tussen 1910 en 1940 en de opnamen van een al-ala-orkest op het Congres voor Arabische muziek in Caïro in 1932. In Tetouan bestond van 1921 tot 1929 een Spaans-Marokkaans conservatorium, in Rabat stichtte Alexis Chottin in 1929 het conservatorium voor Marokkaanse muziek, en in 1939 vond in Fez het congres van de Marokkaanse muziek plaats. Na de onafhankelijkheid in 1956 kwamen daar verenigingen en conservatoria bij, waar de muziek tegenwoordig wordt onderwezen.
Waarvan het is gemaakt
Drie instrumenten vormen de basis: de rabab, een uit één stuk vervaardigde strijkluit met een smalle, gewelfde klankkast, die als bas het spel draagt; de ud, een luit met korte hals zonder fretten; en de tar, een lijsttrom met geitenvel, waarvan de speler het tempo aangeeft. De oude Maghrebijnse luit, de ud ramal, is tegenwoordig vrijwel opgegeven; in haar plaats kwam de oosterse ud. In de tweede helft van de 20e eeuw kwamen daar darbuka, viool en altviool en de qanun bij, soms ook cello en piano. Gezongen worden gedichten in de vormen muwashshah, zajal, shugl en barawal.
Hoe het wordt gemaakt
De musici spelen en zingen tegelijk; het orkest wordt traditioneel geleid door een van de leden, die de zang inzet. Omdat een volledige nuba minstens zes uur duurt, wordt ze bijna nooit helemaal gespeeld: een concert van een tot twee uur brengt meestal stukken uit één enkele mizan, die met een instrumentaal voorspel begint. De nuba rasd duurt volgens Métalsi ongeveer zeven uur.
Wanneer
Volgens een wijdverbreide overlevering hoort bij elke nuba en haar modus een tijdstip van de dag en een stemming; Bousselam houdt de toewijzing aan de 24 uren van de dag voor een mythe waarvoor geen historisch bewijs bestaat. Al-ala klonk op bruiloften, in de religieuze zang en als militaire muziek. In Fez bestaat een eigen festival van Marokkaanse Andalusische muziek.
In het kort
- Repertoire
- elf nuba’s van elk vijf mizan
- Verzameling
- Kunnâsh van al-Haïk, voltooid in 1780
Waar het vandaan komt
Wanneer je het tegenkomt
Hoort erbij
Meer uit Muziek
Doorgeven
Als link, via WhatsApp of e-mail.
Laatst gecontroleerd op 25 okt. 2026. 6 bronnen, waarvan 0 primair (overheid, UNESCO, beheerder).